Tag: Retoriek

Bullshit bij uitstek

Alternative facts zijn normale bullshit.

Dit artikel is het derde deel in een serie over bullshit. Zie ook het eerste en tweede deel.

De Amerikaanse president Donald Trump is een bullshitter, in de zin dat hij zich onverschillig opstelt ten opzichte van de werkelijkheid. Dit was, kort door de bocht, de conclusie van de afgelopen twee delen van deze serie. Tot op heden werden bullshitters impliciet als onwetend verondersteld: bullshitten is immers het gevolg van een gebrek aan interesse in de werkelijkheid. Maar wat gebeurt er als een bullshitter aantoonbaar wel op de hoogte is van de waarheid? Kan men dan nog steeds spreken van bullshitten? Of is in dat geval sprake van “ouderwets” liegen?

Deze vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van een  inmiddels berucht televisie-interview uit januari 2017 met Trumps adviseur Kellyanne Conway. In het interview reageerde Conway op kritische vragen van de presentator over het optreden van Trumps toenmalige perschef Sean Spicer:

Presentator: (…) why did the president ask the White House press secretary to come out in front on the podium, for the first time, and utter a falsehood? It undermines the credibility of the entire White House Press Office on day one.

Conway: Don’t be so overly dramatic about it, Chuck. You’re saying it’s a falsehood, and our  press secretary, Sean Spicer gave alternative facts to that.

Conway was aldus op de hoogte van de feitelijke onjuistheden van Spicers claims, maar gaf expliciet haar onverschilligheid hierover aan. Ze deed hier zelfs een schepje bovenop door te beweren dat de feiten er simpelweg niet toe deden. Voor haar waren deze blijkbaar triviaal en “probleemloos” vervangbaar door een “alternatieve” versie van de werkelijkheid. Bullshit in optima forma, dus.

Dat gebrek aan onwetendheid niet per se een belemmering hoeft te zijn voor een bullshitter werd tevens bewezen door Trump zelf. Tijdens de Helsinki-top met de Russische president Poetin werd Trump gevraagd of hij de conclusie van de Amerikaanse inlichtingendiensten onderschreef dat Rusland invloed had uitgeoefend tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016. Hij antwoordde als volgt:

(…) all I can do is ask the question. My people came to me — Dan Coats [hoofd van de  Amerikaanse inlichtingendiensten] came to me and some others — they said they think it’s Russia. I have President Putin; he just said it’s not Russia.

I will say this: I don’t see any reason why it would be (…) But I have – I have confidence in both parties.

Trump suggereerde hier dat hij te maken had met twee tegenstrijdige, maar even geloofwaardige verklaringen. Wat dit betreft impliceerde de Amerikaanse president dat hij redenen had zowel Poetin als het hoofd van zijn eigen inlichtingendiensten te wantrouwen. Want als Trump Coats als geloofwaardig had ervaren, zou hij logischerwijs sceptisch zijn geweest over Poetins tegenstrijdige claim. Trumps boodschap was aldus dat de president evenveel reden had de bevindingen van zijn eigen inlichtingendiensten te wantrouwen als de claims van zijn Russische tegenhanger.

Daar wringt de schoen. Als president mag worden verwacht dat Trump op de hoogte is van het bewijs waarop inlichtingenofficieren zich beroepen in hun werk. Hij weet hierom dat de claims van Coats, in tegenstelling tot die van Poetin, adequaat onderbouwd zijn. Maar aangezien Trump zich volstrekt onverschillig toonde ten opzichte van deze contextuele realiteit, is ook dit een schoolvoorbeeld van bullshitten.

Uit de optredens van Conway en Trump kan worden opgemaakt dat kennis over de waarheid, paradoxaal genoeg, hand in hand kan gaan met bullshitten. Omdat bullshitten wordt gekenmerkt door een onverschillige houding ten opzichte van de werkelijkheid, hoeven bullshitters als Kellyanne Conway en Donald Trump “slechts” niet te reageren op tegenstrijdige of onwenselijke informatie om als zodanig te worden aangemerkt. Voor bullshitters is de werkelijkheid immers triviaal: deze kan “gemakkelijk” terzijde worden geschoven, ongeacht de kennis van betreffende spreker. De persoon die tegen beter weten in kiest voor het negeren van de waarheid is dus geen leugenaar, maar een bullshitter bij uitstek.

Het interview met Kellyanne Conway is hier te vinden. Trumps opmerkingen op de gezamelijke persconferentie met Poetin zijn hier te raadplegen.

Trumps bullshit

Donald Trump is een bullshitter.

Dit artikel is het tweede deel in een serie over bullshit.  Zie hier het eerste deel.

Is de Amerikaanse president Donald Trump een leugenaar? Op het eerste gezicht wel: volgens de fact checkers van de Washington Post heeft Trump zich al meer dan 7500 keer schuldig gemaakt aan aantoonbaar liegen. En in een speciaal nummer van het Amerikaanse tijdschrift Time Magazine concludeerde hoofdredacteur Nancy Gibbs dat de waarheid voor Trump “niets meer dan ijdel speelgoed is.” Maar is het daadwerkelijk toereikend om de geestelijk vader van waanzinnige begrippen als “alternative facts” als leugenaar te bestempelen?

In het vorige deel van deze serie beschreef ik hoe de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt de term “bullshit” defineerde als een communicatieve handeling waarbij de uitspraken van een spreker volledig zijn losgekoppeld van de waarheid. Wat dit betreft verschilt de bullshitter van de leugenaar: waar de leugenaar zich ten alle tijden bewust is van de werkelijkheid om die vervolgens te verhullen en te vervormen, is de bullshitter volstrekt onverschillig ten opzichte van ‘echte’ stand van zaken.

Dat laatste moet bekend voorkomen voor Trump-watchers. Aan het adres van de Amerikaanse president kunnen immers vele beschuldigingen worden gemaakt, maar hem kan moeilijk worden verweten de waarheid hoog in het vaandel te hebben staan. Zie bijvoorbeeld dit fragment uit een van zijn toespraken:

[“The dishonest fake news media”] are the enemy of the people. Because they have no sources, they just make them up when there are none. I saw one story recently where they said nine people have confirmed. There are no nine people. (…) But they say nine people. And somebody reads it and they say, oh, nine people, they have nine sources. They make up sources.

In deze passage betoogde Trump in principe dat anonieme bronnen niet bestonden. De werkelijkheid is genuanceerder: kranten zijn soms aangewezen op anonieme bronnen omdat bronnen soms bang zijn voor de gevolgen van het in de openbaarheid treden met gevoelige informatie. Maar aangezien Trump zich volstrekt onverschillig toonde ten opzichte van deze praktische werkelijkheid, kan worden gesteld dat hij zich schuldig maakte aan voorbeeldig bullshitten.

Deze speech was geen incident. In het volgende deel van deze serie zal ik uiteenzetten hoe Trump en zijn plaatsvervangers zich schuldig maakten aan bullshitten op momenten waarop zij konden worden verondersteld kennis te hebben over de waarheid. En dat is allerminst bullshit.

Trumps volledige toespraak is hier te vinden.

‘We believe in America’

Hoe Amerikaanse politici preken.

Amerikaanse politici preken. Zo introduceerde president Lyndon Johnson zichzelf in 1965 als een voorvechter van ‘de menselijke waardigheid en het lot van de democratie,’ en riep hij zijn publiek op, als ware een priester die voorgaat in het gebed, zich ‘aan te sluiten bij de goede zaak.’ Johnson’s parochie was die dag bijeengekomen als gevolg van uit de hand gelopen demonstraties in het Zuidelijke plaatsje Selma, waar de lokale politie hardhandig had afgerekend met vreedzame demonstranten van Martin Luther Kings Burgerrechtenbeweging. Vanuit zijn preekstoel in het Huis van Afgevaardigden predikte LBJ heldere woorden: er was ‘geen enkele reden tot trots’ rondom de gebeurtenissen in Selma, en er was ‘geen enkele aanleiding tot zelfgenoegzaamheid’ over het ‘ontbreken van gelijke rechten’ voor zwarte Amerikanen.

Desalniettemin riep Johnson op tot ‘hoop en geloof in onze democratie,’ aangezien de ‘pijnlijke schreeuw en de hymnes van protestliederen’ evengoed aan de wieg hadden gestaan van de ‘grootsheid van deze geweldige regering – de regering van het beste land ter wereld.’ In zijn rol als seculiere predikant verkondigde de president aldus de ‘missie’ van zijn natie: ‘het corrigeren van misstanden, rechtvaardig handelen, en het bevorderen van de mensheid.’ En als men vasthield aan de idealen van die missie, zo drukte Johnson zijn volgelingen op het hart, dan zouden de Verenigde Staten in staat zijn om de duistere schaduw van racisme definitief achter zich te laten – een boodschap die de president samenvatte in de belofte ‘we shall overcome.’

De quasi-religieuze moraliteit van Johnsons zogenaamde ‘We Shall Overcome’ toespraak walmt de lezer tegemoet. Prominent cultuurhistoricus Sacvan Bercovitch herleidde deze moraliteit tot de koloniale periode, waarin prominente Puriteinen reeds preekten over de voorbeeldfunctie van het nog prille New England. Deze Puriteinen zagen de kolonie als een city on a hill, en riepen hun streng-gelovige toehoor op om vast te houden aan hun religieuze idealen, als ware de uitverkorenen om Gods missie op aarde ten uitvoer te brengen.

Puriteinse notabelen kozen in deze context regelmatig voor een drieledige aanpak, waarbij in eerste instantie de successen van de gelovigen werden benadrukt, waarna in detail werd benadrukt hoe de parochie recentelijk in verval was geraakt, om tot slot te eindigen met een hoopvolle oproep andermaal vast te houden aan de oorspronkelijke geloofsartikelen. Alleen dan, zo benadrukte de predikant in aller ernst, zou het ‘Amerikaanse experiment’ voor de eeuwigheid behouden blijven, terwijl verzuim zou leiden tot de onafwendbare teloorgang van de gemeenschap en het Christelijke geloof. No pressure.

Bercovitch beschreef deze retorische strategie als de American Jeremiad, en hij beweerde dat variaties op deze aanpak tot ver na de koloniale periode werden toegepast in de Amerikaanse samenleving. Zo kan President Johnsons ‘We Shall Overcome’ toespraak worden gezien als een seculiere twist op de Puriteinse preken van weleer, waarin de historische successen van de Amerikaanse regering werden aangeroepen om tekortkomingen in het heden weg te poetsen, en waarbij de belofte van een betere toekomst hardop werd uitgesproken (‘We shall overcome’).

Johnson was wat dit betreft allesbehalve een uitzondering. President Obama – zijn meest recente Democratische opvolger in de presidentiële preekstoel – betoogde in 2015 nog dat Johnson’s beroemde Voting Rights Act behoorde tot de ‘kroonjuwelen van onze democratie.’ Desalniettemin preekte Obama dat een recente uitspraak van het Hooggerechtshof de Voting Rights Act ernstig had ‘verzwakt’, en bekritiseerde hij Amerikanen voor het hebben van ‘een van de laagste opkomsten [bij verkiezingen] in de vrije wereld.’ Maar, zo concludeerde de president, de voortgang die geboekt was gedurende de afgelopen vijftig jaar was dusdanig dat ‘onze unie – 239 jaar na de stichting van deze natie – weliswaar nog niet perfect is, maar weldegelijk stappen vooruit heeft gezet.’

Amerika was, volgens Obama, zichzelf continu aan het verbeteren, en hij spoorde zijn aanhang op om deze ‘onvoltooide mars’ van vooruitgang voort te zetten, zodat de ‘heilige belofte’ van de Amerikaanse natie volledig kon worden ingelost. En vanwege dit brandende ‘geloof in Amerika’ waren de Verenigde Staten, ondanks de vele vergissingen in het verleden, toch ‘exceptioneel’ in de wereld en menselijke geschiedenis. Praise be.

De evidente samensmelting van religieuze en politieke retoriek roept vraagtekens op omtrent de scheiding van kerk en staat in de Amerikaanse samenleving. Naast het concept van de Jeremiad gebruiken Amerikanisten hierom de term civil religion om de specifieke context van het Amerikaanse nationalisme in kaart te brengen. Het begrip civil religion verwijst naar een raamwerk van ideeën, symbolen, canonieke gebeurtenissen, en overtuigingen waarmee het bestaan en de structuur van de Amerikaanse cultuur en samenleving wordt vereerd.

Dit betekent echter niet dat deze ‘civiele religie’ van totalitaire signatuur is. Omdat in de VS democratische tradities centraal staan bij de verering van het openbare leven, bieden erediensten in de Amerikaanse civil religion allerhande politici de mogelijkheid om symbolen (zoals de vlag en het volkslied) of canonieke gebeurtenissen (denk aan de succesverhalen van de Burgerrechtenbeweging) toe te eigenenen voor eigen gebruik. Op deze wijze kan de retoriek van een breed scala van politici – van Barack Obama tot Donald Trump – met elkaar in verband worden gebracht.

De preken van Amerikaanse politici kunnen aldus worden verklaard aan de hand van de  blijvende relevantie van de Puritan Fathers. Deze Puriteinse erfenis is tot op de dag van vandaag merkbaar in de praktijk van de Amerikaanse retoriek – een praktijk die nationale goedaardigheid en exceptionalisme als uitgangspunt neemt, en die doorspekt is met moraliteit en beloftes van vooruitgang, wedergeboorte en uniciteit.

Het theater van de Amerikaanse politiek heeft wat dit betreft meer gemeen met religieuze toewijding dan koude realpolitik: de Founding Fathers zijn in deze context profeten, de nationale geschiedenis heeft canonieke waarde, en de vlag wordt vereerd als religieus symbool. Op deze wijze fungeren representaties van ‘Amerika’ als openbaar geloofsartikel in de nationale cultuur – een geloofsartikel dat centraal staat in een heuse civiele religie. Preach.

Voor het betreffende boek van Sacvan Bercovitch, zie: Sacvan Bercovitch, The American Jeremiad (Madison: University of Wisconsin Press, 1978). Voor de geciteerde speech van Lyndon Johnson, zie hier. Voor de geciteerde speech van Obama, zie hier

Yes, he can

Hoe Obama de geschiedenis naar zijn hand zette.

Terwijl het kleurloze graniet van het Martin Luther King monument nog baadde in de stralende oktoberzon achter hem, betrad President Obama het podium. Hij glimlachte breeduit, zoals zo vaak in zijn carrière, en rustte zijn handen op het spreekgestoelte voor hem. Er klonk applaus.

‘Thank you!’ antwoordde de president, de karakteristieke glimlach nog altijd op zijn gezicht gebeiteld. ‘Thank you!’ Het applaus stierf. ‘Vandaag,’ begon Obama die ochtend in 2011, ‘vieren we de terugkomst van Dr. Martin Luther King, Jr. op de National Mall.’ En op de belangrijkste monumentengalerij van Washington zou het standbeeld van de burgerrechtenactivist ‘voor altijd overeind staan, zij aan zij met monumenten ter ere van de grondleggers en verdedigers van de natie; een zwarte predikant zonder rang of titel die uiting gaf aan onze diepste dromen en tijdloze idealen, die dankzij zijn aangrijpende morele appèl een permanente bijdrage leverde aan de perfectionering van onze unie.’

Het streven naar de zogenaamde more perfect union zou voor Obama’s toehoor allebehalve vreemd in de orgen hebben geklonken. Zo opent de Amerikaanse grondwet met de plechtige woorden ‘We the People of the United States, in Order to form a more perfect Union’, en was het Obama zelf die als kandidaat in 2008 doorbrak met een speech getiteld ‘A More Perfect Union.’ Woorden die aldus in de Amerikaanse cultuur een canonieke status hebben aangenomen. En woorden die, op die oktoberochtend in 2011, dienst deden in Obamas beschrijving van de openbare  carrière van Martin Luther King.

Als MLK nog in leven was, zo hield Obama zijn publiek voor, ‘zou hij ons eraan herinneren dat de werkloze arbeider het recht heeft vraagtekens te zetten bij de graaicultuur op Wall Street,’ en dat ‘de zakenman scherp kan onderhandelen met de vakbond zonder de demonisering van het recht op een collectieve onderhandeling.’ Het eerste punt omvat een impliciete verwijzing naar de bezwaren van de Occupy Wall Street-beweging over de excessieve zelfverrijking in het Amerikaanse zakenleven, terwijl het tweede punt indirect verwees naar relatief recentelijk ingevoerde anti-vakbondswetten in Amerikaanse deelstaten.

Opvallend moderne thema’s dus, zeker gezien deze werden aangesneden op de herdenkingsbijeenkomst van een in 1968 overleden burgerrechtenactivist. Opvallend ook, omdat de debatten rondom deze thema’s veelal vorm krijgen langs de as van de twee grote politieke partijen. Ter illustratie: Republikeinse gouverneurs en politici zijn typische voorstanders van anti-vakbondswetten, terwijl hun Democratische tegenhangers zich hier meestal fel tegen verzetten. Hetzelfde geldt voor de regulering van Wall Street: waar de regering-Obama nog inzette op regulerende wetgeving, stemden Republikeinen in het Trump-tijdperk voor deregulering van het bankenwezen. Business as usual voor kenners van de Amerikaanse politiek.

Wat Obama’s speech echter zo opvallend maakte, is de manier waarop de vierenveertigste president de zeggingskracht van de herinnering aan Martin Luther King op een gelaagde manier inzette voor politieke doeleinden. Voor veel Amerikanen ontlenen formuleringen als ‘a more perfect Union’ hun zeggingskracht immers aan hun aanwezigheid in de tekst van de grondwet, en het gebruik van deze woorden in combinatie met de moraliteit inherent aan het symbool van Martin Luther King voorzagen de framing van Obama’s politieke standpunten van een sterk historisch, nationalistisch en moreel karakter.

Gedurende zijn ambtsperiode paste Obama een vergelijkbare strategie vaker toe. Zo stelde de Democraat in een speech uit 2015 dat ‘we’ het belangrijkste woord in de Amerikaanse democratie was, om dit punt vervolgens te illustreren met een opsomming van de klassieke frases “We the People” “We Shall Overcome” en zijn eigen “Yes, We Can. Op deze wijze verbond Obama zijn presidentschap met de canon van de Amerikaanse geschiedenis, en positioneerde hij zijn ambtstermijn in het verlengde van zijn voorgangers.

Bovenstaande analyse van Obama’s retoriek suggereert dat de overkoepelende ideeën, symbolen en canonieke gebeurtenissen uit nationale geschiedenissen politiek geoperationaliseerd worden. Alhoewel dit fenomeen weliswaar in hogere mate expliciet wordt gemaakt in de Verenigde Staten dan in Europese landen, is dit niet per definitie een Amerikaanse innovatie: elke vorm van nationalisme is an sich immers te abstract om concrete betekenis te verwerven. De Amerikaanse casus leert dat deze betekenis niet zozeer ‘bestaat’, maar wordt gecreëerd in de openbare ruimte.

Dit artikel bevat vertaalde citaten uit Obama’s speeches. De originele teksten zijn (in volgorde van gebruik) hier en hier te vinden.