Auteur: Koen Uffing

Thierry Baudet is een bullshitter

De Eerste Bullshitter van de Nederlandse politiek.

Thierry Baudet is de Eerste Bullshitter in de Nederlandse politiek. Dit werd onmiddellijk zichtbaar na de verkiezingen voor de Provinciale Staten en Eerste Kamer, toen Baudet in zijn overwinningstoespraak zonder enige onderbouwing het tanende geloof in de “Westerse beschaving” als oorzaak van maatschappelijke problemen aanwees.

De Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt beschreef in 2005 de retorische strategie van het bullshitten door te wijzen op een onverschillige houding ten opzichte van de werkelijkheid. Waar leugenaars doelbewust pogen de aandacht af te leiden van een onwenselijke waarheid, wordt de bullshitter gekenmerkt door trivialisering van die waarheid. De leugenaar misleidt door de waarheid te verhullen, de bullshitter door deze te negeren.

Frankfurts beschrijving van bullshitters is tegenwoordig al lang geen gedachte-experiment meer. In de Verenigde Staten kiest president Trump er structureel voor de aandacht te trekken met fantasievolle claims rondom zijn verkiezingszege en het onafhankelijke Ruslandonderzoek van speciaal aanklager Robert Mueller. En in het Verenigd Koninkrijk bonden Brexiteers kiezers om hun vinger met fantasieën omtrent het “herstel” van de Britse soevereiniteit, zonder daarbij stil te staan bij de enorme praktische problemen die gekoppeld waren aan uittreding uit de Europese Unie. Bullshit heerst dus, met alle gevolgen van dien.

Desalniettemin waren bullshittende politici tot op heden louter op importbasis verkrijgbaar in de Nederlandse politiek. Daar komt nu, door de klinkende verkiezingszege van FvD, verandering in. Waar dit soort fantasievolle politiek toe kan leiden is op dit moment te zien in Engeland, waar politieke chaos als gevolg van de Brexit aan de orde van de dag is. De opkomst van Baudets Forum voor Democratie – een warm pleitbezorger van een hypothetische Nexit – brengt vergelijkbare rampscenario’s in Nederland een stap dichterbij.

Het structurele succes van bullshitters is uiterst zorgwekkend. De grootste problemen van deze tijd, zoals klimaatverandering en extreme concentratie van welvaart bij een kleine groep multimiljardairs, kunnen alleen effectief worden aangepakt als daar een grondige, op feiten gebaseerde diagnose aan vooraf gaat. Politici zoals Baudet, die broodnodig klimaatbeleid afdoen als “masochistische ketterij”, kiezen ervoor hun ogen te sluiten voor de realiteit. Hun “succes” toont aan dat Westerse kiezers op dit moment liever hun problemen ontkennen dan dat ze deze oplossen. En dat is bijzonder alarmerend

Het belang van bullshitten

Wat kunnen we leren van de acceptatie van bullshitten?

Dit artikel is het vierde en laatste deel in een serie over bullshitten. Voor het eerste deel, zie hier. Deel twee is hier te vinden. De derde bijdrage kan hier worden gelezen.

In de afgelopen drie delen van deze serie is ingegaan op de definitie van bullshitten en de verschillende toepassingen hiervan. Dankzij het werk van de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt kon worden geconcludeerd dat de bullshitter een bijzonder gespannen relatie met de waarheid heeft, en dat de retorica van de Amerikaanse president Trump veelal gekenmerkt wordt dus chronisch bullshitten.

Bullshit doet er dus toe. Desalniettemin heeft een bullshitter niet per definitie kwade intenties. Zo wordt onschuldig “ouwehoeren” (over voetbal, bijvoorbeeld) regematig gekenmerkt door een onverschillige houding ten opzichte van feitelijke nuances, zonder dat sprekers daarbij kwaad in de zin hebben. Ook kan men denken aan het voorbeeld van Ludwig Wittgensteins vriend uit het eerste deel van deze reeks, die bij wijze van spreken haar gezondheid vergeleek met die van een overreden hond. Met andere woorden: bullshitten hoeft niet geassocieerd te worden met een negatieve connotatie.

Dit kan echter wel, zoals blijkt uit Trumps misleidende retoriek. Het is daarom belangrijk om, aan de hand van Frankfurts onderzoek, iets te leren van Trumps “succesformule”.

Verdovende bullshit

In zijn vervolg op On Bullshit – simpelweg getiteld On Truth – bespreekt Frankfurt de rol van waarheid in de menselijke ervaring. Hij doet dit naar aanleiding van het werk van de zeventiende-eeuwse filosoof Baruch Spinoza. Kort samengevat suggereert Frankfurt dat mensen hun geluk ontlenen aan datgene waarvan ze houden. Maar om dit soort objecten in de wereld te kunnen identificeren, zijn mensen genoodzaakt zich te beroepen op de waarheid. Het ervaren van geluk is, volgens Frankfurt, hierom onlosmakelijk verbonden met het herkennen van de waarheid. Hij concludeert: “people cannot help loving truth”.

Deze conclusie compliceert Trumps regelmatige bullshitten. Als men er namelijk voor kiest Frankfurts lezing over de logische connectie tussen geluk en het herkennen van de waarheid te accepteren, rijst al snel de vraag waarom miljoenen Amerikanen zich politiek aangetrokken voelen tot een politicus die de waarheid keer op keer verwaarloost. Wellicht heeft de huidige sociaal-economische realiteit in de VS – denk aan het verdwijnen van talloze industriële banen in bepaalde regio’s – dusdanig veel pijn en woede veroorzaakt bij ‘achtergebleven’ Amerikanen dat zij behoefte hebben gekregen aan een politicus die hen de waarheid doet vergeten.

Trumps retoriek zou voor deze doelgroep dus kunnen functioneren als een aangename verdoving. Het is daarom goed mogelijk dat de acceptatie van Trumps bullshitten symptomatisch is voor structurele problemen in de Amerikaanse samenleving. En dat is allerminst bullshit.

Bullshit bij uitstek

Alternative facts zijn normale bullshit.

Dit artikel is het derde deel in een serie over bullshit. Zie ook het eerste en tweede deel.

De Amerikaanse president Donald Trump is een bullshitter, in de zin dat hij zich onverschillig opstelt ten opzichte van de werkelijkheid. Dit was, kort door de bocht, de conclusie van de afgelopen twee delen van deze serie. Tot op heden werden bullshitters impliciet als onwetend verondersteld: bullshitten is immers het gevolg van een gebrek aan interesse in de werkelijkheid. Maar wat gebeurt er als een bullshitter aantoonbaar wel op de hoogte is van de waarheid? Kan men dan nog steeds spreken van bullshitten? Of is in dat geval sprake van “ouderwets” liegen?

Deze vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van een  inmiddels berucht televisie-interview uit januari 2017 met Trumps adviseur Kellyanne Conway. In het interview reageerde Conway op kritische vragen van de presentator over het optreden van Trumps toenmalige perschef Sean Spicer:

Presentator: (…) why did the president ask the White House press secretary to come out in front on the podium, for the first time, and utter a falsehood? It undermines the credibility of the entire White House Press Office on day one.

Conway: Don’t be so overly dramatic about it, Chuck. You’re saying it’s a falsehood, and our  press secretary, Sean Spicer gave alternative facts to that.

Conway was aldus op de hoogte van de feitelijke onjuistheden van Spicers claims, maar gaf expliciet haar onverschilligheid hierover aan. Ze deed hier zelfs een schepje bovenop door te beweren dat de feiten er simpelweg niet toe deden. Voor haar waren deze blijkbaar triviaal en “probleemloos” vervangbaar door een “alternatieve” versie van de werkelijkheid. Bullshit in optima forma, dus.

Dat gebrek aan onwetendheid niet per se een belemmering hoeft te zijn voor een bullshitter werd tevens bewezen door Trump zelf. Tijdens de Helsinki-top met de Russische president Poetin werd Trump gevraagd of hij de conclusie van de Amerikaanse inlichtingendiensten onderschreef dat Rusland invloed had uitgeoefend tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016. Hij antwoordde als volgt:

(…) all I can do is ask the question. My people came to me — Dan Coats [hoofd van de  Amerikaanse inlichtingendiensten] came to me and some others — they said they think it’s Russia. I have President Putin; he just said it’s not Russia.

I will say this: I don’t see any reason why it would be (…) But I have – I have confidence in both parties.

Trump suggereerde hier dat hij te maken had met twee tegenstrijdige, maar even geloofwaardige verklaringen. Wat dit betreft impliceerde de Amerikaanse president dat hij redenen had zowel Poetin als het hoofd van zijn eigen inlichtingendiensten te wantrouwen. Want als Trump Coats als geloofwaardig had ervaren, zou hij logischerwijs sceptisch zijn geweest over Poetins tegenstrijdige claim. Trumps boodschap was aldus dat de president evenveel reden had de bevindingen van zijn eigen inlichtingendiensten te wantrouwen als de claims van zijn Russische tegenhanger.

Daar wringt de schoen. Als president mag worden verwacht dat Trump op de hoogte is van het bewijs waarop inlichtingenofficieren zich beroepen in hun werk. Hij weet hierom dat de claims van Coats, in tegenstelling tot die van Poetin, adequaat onderbouwd zijn. Maar aangezien Trump zich volstrekt onverschillig toonde ten opzichte van deze contextuele realiteit, is ook dit een schoolvoorbeeld van bullshitten.

Uit de optredens van Conway en Trump kan worden opgemaakt dat kennis over de waarheid, paradoxaal genoeg, hand in hand kan gaan met bullshitten. Omdat bullshitten wordt gekenmerkt door een onverschillige houding ten opzichte van de werkelijkheid, hoeven bullshitters als Kellyanne Conway en Donald Trump “slechts” niet te reageren op tegenstrijdige of onwenselijke informatie om als zodanig te worden aangemerkt. Voor bullshitters is de werkelijkheid immers triviaal: deze kan “gemakkelijk” terzijde worden geschoven, ongeacht de kennis van betreffende spreker. De persoon die tegen beter weten in kiest voor het negeren van de waarheid is dus geen leugenaar, maar een bullshitter bij uitstek.

Het interview met Kellyanne Conway is hier te vinden. Trumps opmerkingen op de gezamelijke persconferentie met Poetin zijn hier te raadplegen.

Trumps bullshit

Donald Trump is een bullshitter.

Dit artikel is het tweede deel in een serie over bullshit.  Zie hier het eerste deel.

Is de Amerikaanse president Donald Trump een leugenaar? Op het eerste gezicht wel: volgens de fact checkers van de Washington Post heeft Trump zich al meer dan 7500 keer schuldig gemaakt aan aantoonbaar liegen. En in een speciaal nummer van het Amerikaanse tijdschrift Time Magazine concludeerde hoofdredacteur Nancy Gibbs dat de waarheid voor Trump “niets meer dan ijdel speelgoed is.” Maar is het daadwerkelijk toereikend om de geestelijk vader van waanzinnige begrippen als “alternative facts” als leugenaar te bestempelen?

In het vorige deel van deze serie beschreef ik hoe de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt de term “bullshit” defineerde als een communicatieve handeling waarbij de uitspraken van een spreker volledig zijn losgekoppeld van de waarheid. Wat dit betreft verschilt de bullshitter van de leugenaar: waar de leugenaar zich ten alle tijden bewust is van de werkelijkheid om die vervolgens te verhullen en te vervormen, is de bullshitter volstrekt onverschillig ten opzichte van ‘echte’ stand van zaken.

Dat laatste moet bekend voorkomen voor Trump-watchers. Aan het adres van de Amerikaanse president kunnen immers vele beschuldigingen worden gemaakt, maar hem kan moeilijk worden verweten de waarheid hoog in het vaandel te hebben staan. Zie bijvoorbeeld dit fragment uit een van zijn toespraken:

[“The dishonest fake news media”] are the enemy of the people. Because they have no sources, they just make them up when there are none. I saw one story recently where they said nine people have confirmed. There are no nine people. (…) But they say nine people. And somebody reads it and they say, oh, nine people, they have nine sources. They make up sources.

In deze passage betoogde Trump in principe dat anonieme bronnen niet bestonden. De werkelijkheid is genuanceerder: kranten zijn soms aangewezen op anonieme bronnen omdat bronnen soms bang zijn voor de gevolgen van het in de openbaarheid treden met gevoelige informatie. Maar aangezien Trump zich volstrekt onverschillig toonde ten opzichte van deze praktische werkelijkheid, kan worden gesteld dat hij zich schuldig maakte aan voorbeeldig bullshitten.

Deze speech was geen incident. In het volgende deel van deze serie zal ik uiteenzetten hoe Trump en zijn plaatsvervangers zich schuldig maakten aan bullshitten op momenten waarop zij konden worden verondersteld kennis te hebben over de waarheid. En dat is allerminst bullshit.

Trumps volledige toespraak is hier te vinden.

Dit is bullshit

En dus de tegenpool van waarheid.

Dit artikel is het eerste deel in een serie over bullshit.

Ludwig Wittgenstein had, volgens de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt, een probleem. Niet zozeer een probleem van filosofische aard, maar een concreet, helder, en specifiek probleem uit het dagelijks leven. Het probleem ontstond tijdens een gesprek met een in het ziekenhuis gestrande vriend, die de betreffende ontmoeting met Wittgenstein als volgt herinnerde:

I had my tonsils out and was in the Evelyn Nursing Home feeling sorry for myself. Wittgenstein  called. I croaked: “I feel just like a dog that has been run over.” [Wittgenstein] was disgusted: “You don’t know what a dog that has been run over feels like.”

Waar wrong de schoen voor Wittgenstein? Frankfurts antwoord op deze vraag begon met de aanname dat Wittgenstein feitelijk gelijk had: zijn vriend had daadwerkelijk geen idee hoe overreden honden zich voelden. Desalniettemin kon Wittgenstein zijn vriend moeilijk van een leugen beschuldigen: het was immers volstrekt plausibel dat de ervaring van het hond-zijn niet onderdeel uitmaakte van haar dagelijkse routine. En aangezien een leugen wordt gekenmerkt door de opzettelijke falsificatie van de waarheid, kon van liegen geen sprake zijn.

Wat was er dan toch mis met de uitspraak van deze onfortuinlijke vriend? Frankfurts redenatie ging als volgt:

[Wittgenstein’s friend] characterizes her feeling as the “feeling of a run-over dog.” She is not really acquainted, however, with the feeling to which this phrase refers. [However] she does know something about the quality of the feeling to which this phrase refers: she knows at least that it is an undesirable and unenjoyable feeling, a bad feeling. The trouble with her statement is that it purports to convey something more than simply that she feels bad. Her characterization of her feeling is too specific; it is excessively particular. Hers is not just any bad feeling but, according to her account, the distinctive kind of bad feeling that a dog has when it is run over.

Kort samengevat: de claim van Wittgensteins vriend was te specifiek om geloofwaardig te zijn. Door te beweren dat zij zich voelde zoals een overreden hond verwees zij naar een ervaring die per definitie ontoegankelijk was. Zij besprak op deze wijze een situatie waarvan zij toeten noch blazen wist, wat door Wittgenstein resoluut werd weggezet als “bullshit.”

Maar wat betekent de inmiddels adequaat ingeburgerde term bullshit nou eigenlijk precies? De combinatie van de woorden bull en shit zou kunnen worden geassocieerd met een stier die zijn gemak doet in de wei, maar gezien de context van de bovengenoemde anekdote lijkt het onwaarschijnlijk dat het woord letterlijk moet worden geïnterpreteerd. Op basis van de uitwisseling tussen Wittgenstein en zijn aan het bed gekluisterde vriend kan worden afgeleid dat bullshit verwijst naar een misleidende redenering die onderscheiden kan worden van ouderwets liegen. Maar op welke gronden zou dit onderscheid gemaakt moeten worden?

Hier schiet Frankfurt te hulp. In zijn vlijmscherpe essay On Bullshit beweert de filosoof van de Amerikaanse universiteit van Princeton dat bullshit kan worden onderscheiden van leugens aan de hand van de verschillende manieren waarop deze vormen van misleiding samenhangen met de waarheid:

The liar hides (…) he is attempting to lead us away from a correct apprehension of reality; we are not to know that he wants us to believe something he supposes to be false. [The bullshitter, on the other hand, hides that] the truth-values of his statements are of no central interest to him; what we are not to understand is that his intention is neither to report the truth nor to conceal it.

Met andere woorden: de leugenaar poogt doelbewust zijn of haar publiek te misleiden aan de hand van een falsificatie van de waarheid, terwijl de bullshitter volstrekt ongeïnteresseerd is in dezelfde waarheid. Voor de bullshitter is de waarheid triviaal: hij of zij kan uiteindelijk gelijk of ongelijk hebben, maar dat doet als puntje bij paaltje komt niet ter zake. Wittgensteins vriend heeft geen idee hoe het voor een hond voelt om overreden te worden, maar beschrijft haar toestand desalniettemin aan de hand van die specifieke ervaring. Voor de bullshitter telt louter dat het verkondigde verhaal hem of haar goed uitkomt, ongeacht de feitelijke onderbouwing van dat verhaal.

Een leugen is aldus een opzettelijke vervorming van de waarheid, terwijl bullshitten het volledige negeren van de waarheid behelst. En precies hierom is, volgens Frankfurt, niet de leugen, maar bullshit de tegenpool van de waarheid. En daar zit, opvallend genoeg, bijzonder veel waarheid in.

Zowel de anekdote over Ludwig Wittgenstein als de citaten in dit artikel zijn ontleend aan: Harry G. Frankfurt, ‘On Bullshit’ (Princeton and Oxford: Princeton University Press, 2005).

‘The wrong side of humanity’

De Amerikaanse Burgeroorlog duurt voort.

Welke geschiedenis verdient het op een voetstuk te staan? In weinig gevallen is deze vraag zo relevant als in de discussie rondom de omstreden standbeelden van ‘foute’ soldaten en officieren uit de Amerikaanse Burgeroorlog. In de zomer van 2017 liepen de spanningen rondom dit thema bijzonder hoog op, toen tumultueuze protesten in Charlottesville, Virginia over het weghalen van een standbeeld ter ere van een Zuidelijke generaal uitmondden in een dode en meerdere gewonden. In de nasleep van ‘Charlottesville’ kreeg President Trump bijzonder veel kritiek, omdat hij weigerde zich op ondubbelzinnige wijze te distantiëren van de white supremacists die zich met hand en tand verzetten tegen de verwijdering van het betreffende standbeeld – wat door velen werd gezien als impliciete steunbetuiging aan het adres van deze dubieuze clubs.

Dat het ook anders kon, bewees de burgemeester van New Orleans tijdens een speech gegeven drie maanden voorafgaand aan de rellen in Charlottesville. Net als Virginia kent de staat Louisiana – waar New Orleans onderdeel van uitmaakt – vele monumenten en standbeelden die herinneren aan de zogenaamde Confederate States of America: de opstandige statenbond van zuidelijke staten die in 1861 werd opgericht om de belangen van lokale slavenhouders te beschermen.

Een monument ter nagedachtenis aan de Confederacy.

De militaire nederlaag van deze Confederacy in de daaropvolgende Burgeroorlog betekende echter allesbehalve het einde van de racistische ideologie waar de rebellerende zuiderlingen voor vochten. In de decennia na het vernederende verlies in de Burgeroorlog hielden blanke burgers van de verslagen Confederacy zich vast aan een geromantiseerde versie van de regionale geschiedenis, waarin heldhaftige Confederates vochten tegen de drukkende tirannie uit Washington, en waarin de tragische ondergang van het Southland enkel tot stand kwam nadat de regio werd onderworpen aan een overweldigende militaire suprematie. 

Deze hypernostalgische mythe over de zogenaamde Lost Cause of the Confederacy stond aan de wieg van de institutionalisering van de beruchte rassenscheiding in de zuidelijke Verenigde Staten, en werd in de openbare ruimte geprojecteerd door de aanwezigheid van vele standbeelden en monumenten ter ere van de ‘tragische helden’ van de Zuidelijke ‘onafhankelijkheidsoorlog’ – monumenten zoals het standbeeld dat centraal stond tijdens de crisis in Charlottesville.

Een vergelijkbare situatie ontstond in New Orleans, waar de lokale gemeenteraad had besloten een drietal Confederate monuments uit het straatbeeld te verwijderen. Na een slepende gang van zaken, waarin aannemers die bereid waren te helpen met de verwijdering veelvuldig werden bedreigd, kon in mei 2017 dan eindelijk worden begonnen met de ontmanteling van de betreffende monumenten. Om de gelegenheid van extra cachet te voorzien, besloot de Democratische burgemeester van de stad, Mitch Landrieu, een speech te geven waarin hij het besluit van de gemeenteraad verdedigde en van commentaar voorzag.

Een standbeeld ter ere van de Confederacy wordt verwijderd in New Orleans.

In de toespraak – die destijds bijzonder snel viral ging in de Amerikaanse media – liet Landrieu zich in ondubbelzinnige bewoordingen uit over de Lost Cause. Deze ‘cult’ had volgens de toenmalig burgemeester een evident doel: ‘het herschrijven van de geschiedenis – via het oprichten van monumenten en andere middelen – om de onmenselijkheid van de Confederacy te verhullen.’ Hij benadrukte dat deze monumenten maarliefst negentien jaar na het einde van de Burgeroorlog werden opgericht, en betoogde dat de standbeelden ‘bedoeld waren om de geschiedenis en idealen van een verslagen Confederacy nieuw leven in te blazen.’

De Democraat – wiens naam door kenners wordt geopperd als potentiële presidentskandidaat in 2020 – was tevens snoeihard over de loyaliteit van hooggeplaatste Zuidelijke officieren: ‘deze mannen vochten niet namens de Verenigde Staten. Zij vochten ertegen. Zij waren misschien krijgers, maar geen patriotten.’ Landrieu trok hieruit de conclusie dat de vele standbeelden ter ere van de Lost Cause niet konden worden gezien als ‘onschuldige herinneringen aan een goedaardige geschiedenis,’ omdat deze monumenten ‘een fictief en revisionistisch verhaal over de Confederacy verheerlijkten, waarbij de dood, slavernij en terreur die zij belichaamde met opzet uit de geschiedenisboeken werd gepoetst.’ Meer dan genoeg reden om tot verwijdering over te gaan, dus.

Tijdens de rellen in Charlottesville kwam echter pijnlijk naar voren dat een enkele speech niet genoeg was om de controverse rondom de erfenis van de Burgeroorlog definitief tot het verleden te doen behoren. De hoge mate waarin bepaalde groepen van blanke zuiderlingen zich nog altijd identificeren met de Confederacy garandeert dat de monumenten van de Lost Cause inzet blijven van verbeten identity politics. En met een president in het Witte Huis die carrière heeft gemaakt met het openlijk aanwakkeren van blanke sympathie en ressentiment, is het onwaarschijnlijk dat deze controversiële status op korte of middellange termijn zal afzwakken.  De Confederacy is, met andere woorden, weliswaar verslagen, maar nog altijd niet begraven.

Voor de tekst van de speech van Mitch Landrieu, zie hier. Voor een analyse van President Trumps reactie op de rellen in Charlottesville, zie hier.

‘We believe in America’

Hoe Amerikaanse politici preken.

Amerikaanse politici preken. Zo introduceerde president Lyndon Johnson zichzelf in 1965 als een voorvechter van ‘de menselijke waardigheid en het lot van de democratie,’ en riep hij zijn publiek op, als ware een priester die voorgaat in het gebed, zich ‘aan te sluiten bij de goede zaak.’ Johnson’s parochie was die dag bijeengekomen als gevolg van uit de hand gelopen demonstraties in het Zuidelijke plaatsje Selma, waar de lokale politie hardhandig had afgerekend met vreedzame demonstranten van Martin Luther Kings Burgerrechtenbeweging. Vanuit zijn preekstoel in het Huis van Afgevaardigden predikte LBJ heldere woorden: er was ‘geen enkele reden tot trots’ rondom de gebeurtenissen in Selma, en er was ‘geen enkele aanleiding tot zelfgenoegzaamheid’ over het ‘ontbreken van gelijke rechten’ voor zwarte Amerikanen.

Desalniettemin riep Johnson op tot ‘hoop en geloof in onze democratie,’ aangezien de ‘pijnlijke schreeuw en de hymnes van protestliederen’ evengoed aan de wieg hadden gestaan van de ‘grootsheid van deze geweldige regering – de regering van het beste land ter wereld.’ In zijn rol als seculiere predikant verkondigde de president aldus de ‘missie’ van zijn natie: ‘het corrigeren van misstanden, rechtvaardig handelen, en het bevorderen van de mensheid.’ En als men vasthield aan de idealen van die missie, zo drukte Johnson zijn volgelingen op het hart, dan zouden de Verenigde Staten in staat zijn om de duistere schaduw van racisme definitief achter zich te laten – een boodschap die de president samenvatte in de belofte ‘we shall overcome.’

De quasi-religieuze moraliteit van Johnsons zogenaamde ‘We Shall Overcome’ toespraak walmt de lezer tegemoet. Prominent cultuurhistoricus Sacvan Bercovitch herleidde deze moraliteit tot de koloniale periode, waarin prominente Puriteinen reeds preekten over de voorbeeldfunctie van het nog prille New England. Deze Puriteinen zagen de kolonie als een city on a hill, en riepen hun streng-gelovige toehoor op om vast te houden aan hun religieuze idealen, als ware de uitverkorenen om Gods missie op aarde ten uitvoer te brengen.

Puriteinse notabelen kozen in deze context regelmatig voor een drieledige aanpak, waarbij in eerste instantie de successen van de gelovigen werden benadrukt, waarna in detail werd benadrukt hoe de parochie recentelijk in verval was geraakt, om tot slot te eindigen met een hoopvolle oproep andermaal vast te houden aan de oorspronkelijke geloofsartikelen. Alleen dan, zo benadrukte de predikant in aller ernst, zou het ‘Amerikaanse experiment’ voor de eeuwigheid behouden blijven, terwijl verzuim zou leiden tot de onafwendbare teloorgang van de gemeenschap en het Christelijke geloof. No pressure.

Bercovitch beschreef deze retorische strategie als de American Jeremiad, en hij beweerde dat variaties op deze aanpak tot ver na de koloniale periode werden toegepast in de Amerikaanse samenleving. Zo kan President Johnsons ‘We Shall Overcome’ toespraak worden gezien als een seculiere twist op de Puriteinse preken van weleer, waarin de historische successen van de Amerikaanse regering werden aangeroepen om tekortkomingen in het heden weg te poetsen, en waarbij de belofte van een betere toekomst hardop werd uitgesproken (‘We shall overcome’).

Johnson was wat dit betreft allesbehalve een uitzondering. President Obama – zijn meest recente Democratische opvolger in de presidentiële preekstoel – betoogde in 2015 nog dat Johnson’s beroemde Voting Rights Act behoorde tot de ‘kroonjuwelen van onze democratie.’ Desalniettemin preekte Obama dat een recente uitspraak van het Hooggerechtshof de Voting Rights Act ernstig had ‘verzwakt’, en bekritiseerde hij Amerikanen voor het hebben van ‘een van de laagste opkomsten [bij verkiezingen] in de vrije wereld.’ Maar, zo concludeerde de president, de voortgang die geboekt was gedurende de afgelopen vijftig jaar was dusdanig dat ‘onze unie – 239 jaar na de stichting van deze natie – weliswaar nog niet perfect is, maar weldegelijk stappen vooruit heeft gezet.’

Amerika was, volgens Obama, zichzelf continu aan het verbeteren, en hij spoorde zijn aanhang op om deze ‘onvoltooide mars’ van vooruitgang voort te zetten, zodat de ‘heilige belofte’ van de Amerikaanse natie volledig kon worden ingelost. En vanwege dit brandende ‘geloof in Amerika’ waren de Verenigde Staten, ondanks de vele vergissingen in het verleden, toch ‘exceptioneel’ in de wereld en menselijke geschiedenis. Praise be.

De evidente samensmelting van religieuze en politieke retoriek roept vraagtekens op omtrent de scheiding van kerk en staat in de Amerikaanse samenleving. Naast het concept van de Jeremiad gebruiken Amerikanisten hierom de term civil religion om de specifieke context van het Amerikaanse nationalisme in kaart te brengen. Het begrip civil religion verwijst naar een raamwerk van ideeën, symbolen, canonieke gebeurtenissen, en overtuigingen waarmee het bestaan en de structuur van de Amerikaanse cultuur en samenleving wordt vereerd.

Dit betekent echter niet dat deze ‘civiele religie’ van totalitaire signatuur is. Omdat in de VS democratische tradities centraal staan bij de verering van het openbare leven, bieden erediensten in de Amerikaanse civil religion allerhande politici de mogelijkheid om symbolen (zoals de vlag en het volkslied) of canonieke gebeurtenissen (denk aan de succesverhalen van de Burgerrechtenbeweging) toe te eigenenen voor eigen gebruik. Op deze wijze kan de retoriek van een breed scala van politici – van Barack Obama tot Donald Trump – met elkaar in verband worden gebracht.

De preken van Amerikaanse politici kunnen aldus worden verklaard aan de hand van de  blijvende relevantie van de Puritan Fathers. Deze Puriteinse erfenis is tot op de dag van vandaag merkbaar in de praktijk van de Amerikaanse retoriek – een praktijk die nationale goedaardigheid en exceptionalisme als uitgangspunt neemt, en die doorspekt is met moraliteit en beloftes van vooruitgang, wedergeboorte en uniciteit.

Het theater van de Amerikaanse politiek heeft wat dit betreft meer gemeen met religieuze toewijding dan koude realpolitik: de Founding Fathers zijn in deze context profeten, de nationale geschiedenis heeft canonieke waarde, en de vlag wordt vereerd als religieus symbool. Op deze wijze fungeren representaties van ‘Amerika’ als openbaar geloofsartikel in de nationale cultuur – een geloofsartikel dat centraal staat in een heuse civiele religie. Preach.

Voor het betreffende boek van Sacvan Bercovitch, zie: Sacvan Bercovitch, The American Jeremiad (Madison: University of Wisconsin Press, 1978). Voor de geciteerde speech van Lyndon Johnson, zie hier. Voor de geciteerde speech van Obama, zie hier

Bevrijd Zwarte Piet uit dwangbuis

Literatuurwetenschappen bieden uitkomst in zwartepietendiscussie.

De dwangbuis regeert in de verhitte discussie rondom Zwarte Piet. Zowel voor- als tegenstanders hebben ervoor gekozen om zich te laten leiden door vastgebeitelde herinneringen, verkalkte ervaringen, en niet los te wrikken connotaties die zij projecteren op de trouwe bondgenoot van de Goedheiligman. Dit is te merken: hoog oplaaiende demonstraties domineren ieder jaar het nieuws in de vroege decemberdagen, en zelfs de Raad van State werd gedwongen stelling te nemen in deze slepende kwestie. Zwarte Piet is, met andere woorden, a big deal indeed.

Verklaringen voor deze culturele rel draaien veelal rond thema’s van identificatie en representatie: het gevoel van blanke Nederlanders enerzijds dat ‘hun’ cultuur wordt ‘afgepakt’, en de woede van gekleurde burgers anderzijds dat ‘hun’ slavernijverleden geen erkenning krijgt in de nationale canon. Waar deze uitleg echter aan voorbijgaat is dat de wederzijdse woede rondom Zwarte Piet evengoed is geworteld in divergente ervaringen en herinneringen. Deze populaire discussie kan worden bekeken aan de hand van het academische begrip memory site, dat verwijst naar de maatschappelijke praktijk waarbij herinneringen worden geprojecteerd op bepaalde gebeurtenissen, personen, of symbolen.

Zo betoogde de Utrechtse literatuurwetenschapster Ann Rigney in 2012 dat verschillende groepen negentiende-eeuwse lezers radicaal verschillende herinneringen overhielden aan het werk van de Britse schrijver Walter Scott. Rigney toonde op overtuigende wijze aan aan hoe Scotts ridderroman Ivanhoe weliswaar als monumentaal werk werd aangewezen door Amerikaanse slavenhouders, maar betoogt zij tegelijkertijd dat de populariteit van Ivanhoe onder de regionale elite evenzeer gebruikt kon worden als metafoor in kritieken op de grote sociale ongelijkheid in de regio.

Een belangrijke bouwsteen in Rigney’s argument is dat deze uiteenlopende interpretaties het gevolg waren van verschillende herinneringen die aan dit boek gekoppeld werden. Geprivilegieerde slavenhouders herkenden in Ivanhoe de ‘ridderlijkheid’ die zij zichzelf en ‘hun’ maatschappij toedichtten, terwijl critici deze verheerlijking aanzagen als representatief voor de ontkenning van de raciale en socio-economische uitbuiting in de zuidelijke staten. Hoe over Ivanhoe werd gedacht was dus niet zozeer het resultaat van wat men over de inhoud van de roman vond, maar gaf vooral uiting aan de manier waarop lezers dachten over de context waarin gelezen werd.

Deze slotsom sluit prima aan op de casus van de zwartepietendiscussie. Staan wij onszelf toe te denken over het symbool van Zwarte Piet als ware de belichaming van sociaal gedragen ervaringen en herinneringen in plaats van als emblematisch icoon, dan kunnen wij de controverse rondom zijn aanwezigheid in het Sinterklaasfeest zien in het licht van de verschillende ervaringen die Nederlanders koppelen aan zijn verschijning in de openbare ruimte.

De positieve connotaties die blanke Nederlanders veelal verbinden aan Zwarte Piet is dan niet alleen een functie van de koppeling die zij maken tussen het Sinterklaasfeest en hun identificatie als Nederlanders, maar tevens van de ‘warme herinneringen’ die zij projecteren op deze memory site. Aan de andere kant van de maatschappelijke vergelijking kan aannemelijk worden gemaakt dat gekleurde Nederlanders hun weerstand tegen de helper van Sinterklaas wortelen in een algemeen gebrek aan erkenning van de Hollandse slavernijgeschiedenis als de slechte herinneringen die zij hierdoor hebben opgebouwd. Aldus worden de stellingen ingenomen.

Maar wees niet getreurd: de overgave aan deze mentale constructies is tijdelijk. Zo zullen, ondanks de eens zo dominante associatie tussen beide begrippen, nog maar zeer weinigen de koppeling maken tussen Ivanhoe en slavernij in het Amerikaanse zuiden. Desalniettemin laten zowel voor- als tegenstanders van Zwarte Piet zich vooralsnog leiden door heersende invullingen van Zwarte Piet, zonder zich goed en wel te beseffen dat deze opvattingen evengoed ooit ‘aangemaakt’ zijn.

Nationale identiteiten zijn namelijk allesbehalve statisch; zij zijn constant in beweging, en worden continu opnieuw uitgevonden. Wat de oplossing voor de problematiek rond de Sint en zijn helper ook wordt, deelnemers aan beide kanten van het debat zouden er goed aan doen zich niet te gedragen als gijzelaar van hun herinneringen, en te beseffen dat ook ‘nieuwe’ vormen van Sinterklaas uiteindelijk wortel zullen schieten in de Nederlandse maatschappij. Wat niet is, kan namelijk altijd nog worden. Pas dan, en geen seconde eerder, zal Zwarte Piet eindelijk verlost zijn van die emotionele dwangbuis.

Voor het betreffende boek over Walter Scott, zie: Ann Rigney, ‘The Afterlives of Walter Scott: Memory on the Move’ (New York: Oxford University Press, 2012).

Yes, he can

Hoe Obama de geschiedenis naar zijn hand zette.

Terwijl het kleurloze graniet van het Martin Luther King monument nog baadde in de stralende oktoberzon achter hem, betrad President Obama het podium. Hij glimlachte breeduit, zoals zo vaak in zijn carrière, en rustte zijn handen op het spreekgestoelte voor hem. Er klonk applaus.

‘Thank you!’ antwoordde de president, de karakteristieke glimlach nog altijd op zijn gezicht gebeiteld. ‘Thank you!’ Het applaus stierf. ‘Vandaag,’ begon Obama die ochtend in 2011, ‘vieren we de terugkomst van Dr. Martin Luther King, Jr. op de National Mall.’ En op de belangrijkste monumentengalerij van Washington zou het standbeeld van de burgerrechtenactivist ‘voor altijd overeind staan, zij aan zij met monumenten ter ere van de grondleggers en verdedigers van de natie; een zwarte predikant zonder rang of titel die uiting gaf aan onze diepste dromen en tijdloze idealen, die dankzij zijn aangrijpende morele appèl een permanente bijdrage leverde aan de perfectionering van onze unie.’

Het streven naar de zogenaamde more perfect union zou voor Obama’s toehoor allebehalve vreemd in de orgen hebben geklonken. Zo opent de Amerikaanse grondwet met de plechtige woorden ‘We the People of the United States, in Order to form a more perfect Union’, en was het Obama zelf die als kandidaat in 2008 doorbrak met een speech getiteld ‘A More Perfect Union.’ Woorden die aldus in de Amerikaanse cultuur een canonieke status hebben aangenomen. En woorden die, op die oktoberochtend in 2011, dienst deden in Obamas beschrijving van de openbare  carrière van Martin Luther King.

Als MLK nog in leven was, zo hield Obama zijn publiek voor, ‘zou hij ons eraan herinneren dat de werkloze arbeider het recht heeft vraagtekens te zetten bij de graaicultuur op Wall Street,’ en dat ‘de zakenman scherp kan onderhandelen met de vakbond zonder de demonisering van het recht op een collectieve onderhandeling.’ Het eerste punt omvat een impliciete verwijzing naar de bezwaren van de Occupy Wall Street-beweging over de excessieve zelfverrijking in het Amerikaanse zakenleven, terwijl het tweede punt indirect verwees naar relatief recentelijk ingevoerde anti-vakbondswetten in Amerikaanse deelstaten.

Opvallend moderne thema’s dus, zeker gezien deze werden aangesneden op de herdenkingsbijeenkomst van een in 1968 overleden burgerrechtenactivist. Opvallend ook, omdat de debatten rondom deze thema’s veelal vorm krijgen langs de as van de twee grote politieke partijen. Ter illustratie: Republikeinse gouverneurs en politici zijn typische voorstanders van anti-vakbondswetten, terwijl hun Democratische tegenhangers zich hier meestal fel tegen verzetten. Hetzelfde geldt voor de regulering van Wall Street: waar de regering-Obama nog inzette op regulerende wetgeving, stemden Republikeinen in het Trump-tijdperk voor deregulering van het bankenwezen. Business as usual voor kenners van de Amerikaanse politiek.

Wat Obama’s speech echter zo opvallend maakte, is de manier waarop de vierenveertigste president de zeggingskracht van de herinnering aan Martin Luther King op een gelaagde manier inzette voor politieke doeleinden. Voor veel Amerikanen ontlenen formuleringen als ‘a more perfect Union’ hun zeggingskracht immers aan hun aanwezigheid in de tekst van de grondwet, en het gebruik van deze woorden in combinatie met de moraliteit inherent aan het symbool van Martin Luther King voorzagen de framing van Obama’s politieke standpunten van een sterk historisch, nationalistisch en moreel karakter.

Gedurende zijn ambtsperiode paste Obama een vergelijkbare strategie vaker toe. Zo stelde de Democraat in een speech uit 2015 dat ‘we’ het belangrijkste woord in de Amerikaanse democratie was, om dit punt vervolgens te illustreren met een opsomming van de klassieke frases “We the People” “We Shall Overcome” en zijn eigen “Yes, We Can. Op deze wijze verbond Obama zijn presidentschap met de canon van de Amerikaanse geschiedenis, en positioneerde hij zijn ambtstermijn in het verlengde van zijn voorgangers.

Bovenstaande analyse van Obama’s retoriek suggereert dat de overkoepelende ideeën, symbolen en canonieke gebeurtenissen uit nationale geschiedenissen politiek geoperationaliseerd worden. Alhoewel dit fenomeen weliswaar in hogere mate expliciet wordt gemaakt in de Verenigde Staten dan in Europese landen, is dit niet per definitie een Amerikaanse innovatie: elke vorm van nationalisme is an sich immers te abstract om concrete betekenis te verwerven. De Amerikaanse casus leert dat deze betekenis niet zozeer ‘bestaat’, maar wordt gecreëerd in de openbare ruimte.

Dit artikel bevat vertaalde citaten uit Obama’s speeches. De originele teksten zijn (in volgorde van gebruik) hier en hier te vinden.