De Amerikaanse Burgeroorlog duurt voort.

Welke geschiedenis verdient het op een voetstuk te staan? In weinig gevallen is deze vraag zo relevant als in de discussie rondom de omstreden standbeelden van ‘foute’ soldaten en officieren uit de Amerikaanse Burgeroorlog. In de zomer van 2017 liepen de spanningen rondom dit thema bijzonder hoog op, toen tumultueuze protesten in Charlottesville, Virginia over het weghalen van een standbeeld ter ere van een Zuidelijke generaal uitmondden in een dode en meerdere gewonden. In de nasleep van ‘Charlottesville’ kreeg President Trump bijzonder veel kritiek, omdat hij weigerde zich op ondubbelzinnige wijze te distantiëren van de white supremacists die zich met hand en tand verzetten tegen de verwijdering van het betreffende standbeeld – wat door velen werd gezien als impliciete steunbetuiging aan het adres van deze dubieuze clubs.

Dat het ook anders kon, bewees de burgemeester van New Orleans tijdens een speech gegeven drie maanden voorafgaand aan de rellen in Charlottesville. Net als Virginia kent de staat Louisiana – waar New Orleans onderdeel van uitmaakt – vele monumenten en standbeelden die herinneren aan de zogenaamde Confederate States of America: de opstandige statenbond van zuidelijke staten die in 1861 werd opgericht om de belangen van lokale slavenhouders te beschermen.

Een monument ter nagedachtenis aan de Confederacy.

De militaire nederlaag van deze Confederacy in de daaropvolgende Burgeroorlog betekende echter allesbehalve het einde van de racistische ideologie waar de rebellerende zuiderlingen voor vochten. In de decennia na het vernederende verlies in de Burgeroorlog hielden blanke burgers van de verslagen Confederacy zich vast aan een geromantiseerde versie van de regionale geschiedenis, waarin heldhaftige Confederates vochten tegen de drukkende tirannie uit Washington, en waarin de tragische ondergang van het Southland enkel tot stand kwam nadat de regio werd onderworpen aan een overweldigende militaire suprematie. 

Deze hypernostalgische mythe over de zogenaamde Lost Cause of the Confederacy stond aan de wieg van de institutionalisering van de beruchte rassenscheiding in de zuidelijke Verenigde Staten, en werd in de openbare ruimte geprojecteerd door de aanwezigheid van vele standbeelden en monumenten ter ere van de ‘tragische helden’ van de Zuidelijke ‘onafhankelijkheidsoorlog’ – monumenten zoals het standbeeld dat centraal stond tijdens de crisis in Charlottesville.

Een vergelijkbare situatie ontstond in New Orleans, waar de lokale gemeenteraad had besloten een drietal Confederate monuments uit het straatbeeld te verwijderen. Na een slepende gang van zaken, waarin aannemers die bereid waren te helpen met de verwijdering veelvuldig werden bedreigd, kon in mei 2017 dan eindelijk worden begonnen met de ontmanteling van de betreffende monumenten. Om de gelegenheid van extra cachet te voorzien, besloot de Democratische burgemeester van de stad, Mitch Landrieu, een speech te geven waarin hij het besluit van de gemeenteraad verdedigde en van commentaar voorzag.

Een standbeeld ter ere van de Confederacy wordt verwijderd in New Orleans.

In de toespraak – die destijds bijzonder snel viral ging in de Amerikaanse media – liet Landrieu zich in ondubbelzinnige bewoordingen uit over de Lost Cause. Deze ‘cult’ had volgens de toenmalig burgemeester een evident doel: ‘het herschrijven van de geschiedenis – via het oprichten van monumenten en andere middelen – om de onmenselijkheid van de Confederacy te verhullen.’ Hij benadrukte dat deze monumenten maarliefst negentien jaar na het einde van de Burgeroorlog werden opgericht, en betoogde dat de standbeelden ‘bedoeld waren om de geschiedenis en idealen van een verslagen Confederacy nieuw leven in te blazen.’

De Democraat – wiens naam door kenners wordt geopperd als potentiële presidentskandidaat in 2020 – was tevens snoeihard over de loyaliteit van hooggeplaatste Zuidelijke officieren: ‘deze mannen vochten niet namens de Verenigde Staten. Zij vochten ertegen. Zij waren misschien krijgers, maar geen patriotten.’ Landrieu trok hieruit de conclusie dat de vele standbeelden ter ere van de Lost Cause niet konden worden gezien als ‘onschuldige herinneringen aan een goedaardige geschiedenis,’ omdat deze monumenten ‘een fictief en revisionistisch verhaal over de Confederacy verheerlijkten, waarbij de dood, slavernij en terreur die zij belichaamde met opzet uit de geschiedenisboeken werd gepoetst.’ Meer dan genoeg reden om tot verwijdering over te gaan, dus.

Tijdens de rellen in Charlottesville kwam echter pijnlijk naar voren dat een enkele speech niet genoeg was om de controverse rondom de erfenis van de Burgeroorlog definitief tot het verleden te doen behoren. De hoge mate waarin bepaalde groepen van blanke zuiderlingen zich nog altijd identificeren met de Confederacy garandeert dat de monumenten van de Lost Cause inzet blijven van verbeten identity politics. En met een president in het Witte Huis die carrière heeft gemaakt met het openlijk aanwakkeren van blanke sympathie en ressentiment, is het onwaarschijnlijk dat deze controversiële status op korte of middellange termijn zal afzwakken.  De Confederacy is, met andere woorden, weliswaar verslagen, maar nog altijd niet begraven.

Voor de tekst van de speech van Mitch Landrieu, zie hier. Voor een analyse van President Trumps reactie op de rellen in Charlottesville, zie hier.