Hoe Amerikaanse politici preken.

Amerikaanse politici preken. Zo introduceerde president Lyndon Johnson zichzelf in 1965 als een voorvechter van ‘de menselijke waardigheid en het lot van de democratie,’ en riep hij zijn publiek op, als ware een priester die voorgaat in het gebed, zich ‘aan te sluiten bij de goede zaak.’ Johnson’s parochie was die dag bijeengekomen als gevolg van uit de hand gelopen demonstraties in het Zuidelijke plaatsje Selma, waar de lokale politie hardhandig had afgerekend met vreedzame demonstranten van Martin Luther Kings Burgerrechtenbeweging. Vanuit zijn preekstoel in het Huis van Afgevaardigden predikte LBJ heldere woorden: er was ‘geen enkele reden tot trots’ rondom de gebeurtenissen in Selma, en er was ‘geen enkele aanleiding tot zelfgenoegzaamheid’ over het ‘ontbreken van gelijke rechten’ voor zwarte Amerikanen.

Desalniettemin riep Johnson op tot ‘hoop en geloof in onze democratie,’ aangezien de ‘pijnlijke schreeuw en de hymnes van protestliederen’ evengoed aan de wieg hadden gestaan van de ‘grootsheid van deze geweldige regering – de regering van het beste land ter wereld.’ In zijn rol als seculiere predikant verkondigde de president aldus de ‘missie’ van zijn natie: ‘het corrigeren van misstanden, rechtvaardig handelen, en het bevorderen van de mensheid.’ En als men vasthield aan de idealen van die missie, zo drukte Johnson zijn volgelingen op het hart, dan zouden de Verenigde Staten in staat zijn om de duistere schaduw van racisme definitief achter zich te laten – een boodschap die de president samenvatte in de belofte ‘we shall overcome.’

De quasi-religieuze moraliteit van Johnsons zogenaamde ‘We Shall Overcome’ toespraak walmt de lezer tegemoet. Prominent cultuurhistoricus Sacvan Bercovitch herleidde deze moraliteit tot de koloniale periode, waarin prominente Puriteinen reeds preekten over de voorbeeldfunctie van het nog prille New England. Deze Puriteinen zagen de kolonie als een city on a hill, en riepen hun streng-gelovige toehoor op om vast te houden aan hun religieuze idealen, als ware de uitverkorenen om Gods missie op aarde ten uitvoer te brengen.

Puriteinse notabelen kozen in deze context regelmatig voor een drieledige aanpak, waarbij in eerste instantie de successen van de gelovigen werden benadrukt, waarna in detail werd benadrukt hoe de parochie recentelijk in verval was geraakt, om tot slot te eindigen met een hoopvolle oproep andermaal vast te houden aan de oorspronkelijke geloofsartikelen. Alleen dan, zo benadrukte de predikant in aller ernst, zou het ‘Amerikaanse experiment’ voor de eeuwigheid behouden blijven, terwijl verzuim zou leiden tot de onafwendbare teloorgang van de gemeenschap en het Christelijke geloof. No pressure.

Bercovitch beschreef deze retorische strategie als de American Jeremiad, en hij beweerde dat variaties op deze aanpak tot ver na de koloniale periode werden toegepast in de Amerikaanse samenleving. Zo kan President Johnsons ‘We Shall Overcome’ toespraak worden gezien als een seculiere twist op de Puriteinse preken van weleer, waarin de historische successen van de Amerikaanse regering werden aangeroepen om tekortkomingen in het heden weg te poetsen, en waarbij de belofte van een betere toekomst hardop werd uitgesproken (‘We shall overcome’).

Johnson was wat dit betreft allesbehalve een uitzondering. President Obama – zijn meest recente Democratische opvolger in de presidentiële preekstoel – betoogde in 2015 nog dat Johnson’s beroemde Voting Rights Act behoorde tot de ‘kroonjuwelen van onze democratie.’ Desalniettemin preekte Obama dat een recente uitspraak van het Hooggerechtshof de Voting Rights Act ernstig had ‘verzwakt’, en bekritiseerde hij Amerikanen voor het hebben van ‘een van de laagste opkomsten [bij verkiezingen] in de vrije wereld.’ Maar, zo concludeerde de president, de voortgang die geboekt was gedurende de afgelopen vijftig jaar was dusdanig dat ‘onze unie – 239 jaar na de stichting van deze natie – weliswaar nog niet perfect is, maar weldegelijk stappen vooruit heeft gezet.’

Amerika was, volgens Obama, zichzelf continu aan het verbeteren, en hij spoorde zijn aanhang op om deze ‘onvoltooide mars’ van vooruitgang voort te zetten, zodat de ‘heilige belofte’ van de Amerikaanse natie volledig kon worden ingelost. En vanwege dit brandende ‘geloof in Amerika’ waren de Verenigde Staten, ondanks de vele vergissingen in het verleden, toch ‘exceptioneel’ in de wereld en menselijke geschiedenis. Praise be.

De evidente samensmelting van religieuze en politieke retoriek roept vraagtekens op omtrent de scheiding van kerk en staat in de Amerikaanse samenleving. Naast het concept van de Jeremiad gebruiken Amerikanisten hierom de term civil religion om de specifieke context van het Amerikaanse nationalisme in kaart te brengen. Het begrip civil religion verwijst naar een raamwerk van ideeën, symbolen, canonieke gebeurtenissen, en overtuigingen waarmee het bestaan en de structuur van de Amerikaanse cultuur en samenleving wordt vereerd.

Dit betekent echter niet dat deze ‘civiele religie’ van totalitaire signatuur is. Omdat in de VS democratische tradities centraal staan bij de verering van het openbare leven, bieden erediensten in de Amerikaanse civil religion allerhande politici de mogelijkheid om symbolen (zoals de vlag en het volkslied) of canonieke gebeurtenissen (denk aan de succesverhalen van de Burgerrechtenbeweging) toe te eigenenen voor eigen gebruik. Op deze wijze kan de retoriek van een breed scala van politici – van Barack Obama tot Donald Trump – met elkaar in verband worden gebracht.

De preken van Amerikaanse politici kunnen aldus worden verklaard aan de hand van de  blijvende relevantie van de Puritan Fathers. Deze Puriteinse erfenis is tot op de dag van vandaag merkbaar in de praktijk van de Amerikaanse retoriek – een praktijk die nationale goedaardigheid en exceptionalisme als uitgangspunt neemt, en die doorspekt is met moraliteit en beloftes van vooruitgang, wedergeboorte en uniciteit.

Het theater van de Amerikaanse politiek heeft wat dit betreft meer gemeen met religieuze toewijding dan koude realpolitik: de Founding Fathers zijn in deze context profeten, de nationale geschiedenis heeft canonieke waarde, en de vlag wordt vereerd als religieus symbool. Op deze wijze fungeren representaties van ‘Amerika’ als openbaar geloofsartikel in de nationale cultuur – een geloofsartikel dat centraal staat in een heuse civiele religie. Preach.

Voor het betreffende boek van Sacvan Bercovitch, zie: Sacvan Bercovitch, The American Jeremiad (Madison: University of Wisconsin Press, 1978). Voor de geciteerde speech van Lyndon Johnson, zie hier. Voor de geciteerde speech van Obama, zie hier